Stichting Geuzenverzet 1940-1945
Print    
Home

Contact

Links

Sitemap

Disclaimer

Press info





History      Geuzen Monument      Commemoration      Geuzen Medal      Geuzenpenning Foundation     
                                                     

 

Het Lied der Achttien Dooden

 

Een cel is maar twee meter lang

en nauw twee meter breed,

wel kleiner nog is het stuk grond,

dat ik nu nog niet weet,

maar waar ik naamloos rusten zal,

mijn makkers bovendien,

wij waren achttien in getal,

geen zal de avond zien.

 

O lieflijkheid van licht en land,

van Hollands vrije kust,

eens door de vijand overmand

had ik geen uur meer rust.

Wat kan een man oprecht en trouw,

nog doen in zulk een tijd ?

Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw

en strijd den ijlden strijd.

 

Ik wist de taak die ik begon,

een taak van moeite zwaar,

maar t hart dat het niet laten kon

schuwt nimmer het gevaar;

het weet hoe eenmaal in dit land

de vrijheid werd geerd,

voordat de vloekbre schennershand

het anders heeft begeerd.

 

Voordat die eeden breekt en bralt

het misslijk stuk bestond

en Hollands landen binnenvalt

en brandschat zijnen grond;

voordat die aanspraak maakt op eer

en zulk Germaans gerief

ons volk dwong onder zijn beheer

en plunderde als een dief.

 

De Rattenvanger van Berlijn

pijpt nu zijn melodie, -

zoo waar als ik straks dood zal zijn,

de liefste niet meer zie

en niet meer breken zal het brood

en slapen mag met haar -

verwerp al wat hij biedt of bood

die sluwe vogelaar.

 

Gedenk die deze woorden leest

mijn makkers in den nood

en die hen nastaan t allermeest

in hunnen rampspoed groot,

gelijk ook wij hebben gedacht

aan eigen land en volk -

er daagt een dag na elke nacht,

voorbij trekt iedre wolk.

 

Ik zie hoe t eerste morgenlicht

door t hooge venster draalt.

Mijn God, maak mij het sterven licht -

en zoo ik heb gefaald

gelijk een elk wel falen kan,

schenk mijn dan Uw gen,

opdat ik heenga als een man

als ik voor de loopen sta.

Het lied der achttien dooden is een gedicht van Jan Campert (1902-1943), dat hij schreef naar aanleiding van de executie van vijftien Geuzen en drie Februaristakers op 13 maart 1941.


      ©2007
      Stichting Geuzenverzet